J. van Riemsdijk (1757-1832) zet Veendijk op de kaart door ontginningen

Voor 1800 was er rondom de Veendijk één groot veengebied, die rijp was voor ontginning. Voor de vervening kwam ook een groot gebied van het Legeveld, Paardeweide, de Piel, Gorens en Kordaken in aanmerking. Het veen werd niet door de boermarke verkocht, maar geschiedde door ieder markgenoot afzonderlijk. Sommigen verkochten het aan hen toewezen terrein aan de zogenaamde turfmakers die ter plekke in ‘tenten’ (provisorische onderkomens) woonden.

Zo kocht J. van Riemsdijk, lid van de Commissie van Landbouw in Drenthe, 200 morgen woeste grond, wat neer komt op ongeveer 190 hectare. Hij is één van de eersten geweest, die nieuwe bedrijfsmethoden in toepassing heeft gebracht. Van Riemsdijk begon in 1802 met de verbetering van de gronden door het graven van sloten en wijken. Hierna besloot hij, nadat de gronden voor cultuurdoeleinden geschikt waren, verder door te gaan met de ontginning. Twee jaar later bakende hij zijn landerijen af in ‘plaatsen’. Weer een jaar later werd begonnen met de bouw van boerderijen, waarvan in 1805 al zes waren voltooid.

Het moeilijkste van alles was om mensen te vinden, die verstand hadden van land aanmaken en bewerken. Zij moesten de belangen van de grondeigenaar niet uit het oog verliezen. Om voldoende toezicht uit te oefenen liet Van Riemsdijk in 1807 een herenhuis, genaamd ‘Veenrust’, bouwen. Het bestond uit een woonhuis met schuren, waarin 4 paarden, 40 stuks rundvee en een aantal varkens konden worden ondergebracht. Om de afvoer van turf te verbeteren liet hij een kanaaltje graven recht tegenover zijn woonhuis van de Smildervaart, nu Drentsche Hoofdvaart, naar de Veendijk en van de achterzijde van zijn huis naar de Boervaart. Dit waterloopje werd het ‘Heersvaartje’ genoemd. Huize ‘Veenrust’ werd omringd door tuin en park van circa 6 hectare, vol rododendrons.

Niet alleen Van Riemsdijk, maar ook andere eigenaren van woeste gronden in het Legeveld (thans Lageveld) waren in het begin van de 19e eeuw bezig met het verbeteren van hun toebehorende percelen. Bekende eigenaren van die tijd waren: W. Vedder, H. Eleveld, J. Harms, J. Bakker en H.J. Smit. Na het overlijden van Van Riemsdijk is het landhuis ‘Veenrust’ in 1836 verkocht aan A. van der Vlies, die zijn bezittingen nog heeft verbeterd en de streek nog meer tot boei gebracht. In 1873 overleed Van Vlies en het landgoed werd door zijn kinderen tijdens een openbare veiling bij opbod aan de hoogst biedende verkocht. Egbert Derks de Groot werd de nieuwe eigenaar, die het herenhuis in 1878 liet afbreken en een nieuwe boerderij op dezelfde plaats liet bouwen. De grote tuin en parkaanleg zijn later in grasland herschapen, maar in de buurtschap bloeien in de zomer thans nog rododendrons uit de tuin van het voormalig landhuis.