Eekschillers

Hoe is een dorp ontstaan? Wat is de achtergrond van bepaalde gebruiken, gebouwen en gebeurtenissen in een streek? Over het verleden valt veel te vertellen. Op deze plek krijgen de historische verenigingen in De Wolden en Westerveld een podium om een breed publiek met de historie van eigen woonplaats/leefomgeving in aanraking te laten komen. Deze is week het de beurt aan de Stichting Historie van Ruinen.

Vanaf het begin van deze eeuw tot ongeveer 1925 heerste er op Anholt in het voorjaar een grote bedrijvigheid. Hier stonden bij de boerderijen en langs de wegen veel eikenbomen en hakhout. Elk voorjaar werd door de boeren in Anholt een groot aantal bomen gekapt voor draadpalen en brandhout. Het eekschillen gebeurde alleen in het voorjaar. Door de stijgende temperatuur kwamen de sapstromen in de bomen op gang, waardoor de schors ‘mals’ werd en veel gemakkelijker losliet. De schil van deze eikenbomen en takken werd verkocht aan leerlooierijen in Brabant.

Slapen bij de boeren

Voor het schillen van deze bomen en takken werd een speciale groep mensen uit de Gelderse Achterhoek opgeroepen om dit werkje voor de boeren te doen. Men noemde ze de ‘Eekschillers’. Enkele dagen voor de bomen kap stuurde men een bericht naar deze mensen. Die kwamen dan in groten getale naar Anholt en omgeving. De ‘Eekschillers’ namen vrouw en kinderen mee en ook de geiten voor de melk werden niet vergeten. Ze sliepen bij de boeren in een schuur of in een tent.

De hele familie ging overdag naar het bos om de schors van de eiken af te halen. Eerst groeven de ‘Eekschillers’ een kuil in de grond, die ongeveer één meter diep was. Dit deden ze om niet steeds te hoeven bukken. Vervolgens gingen de mannen en vrouwen hier in staan om beter en gemakkelijker hun werk te kunnen doen. Zij klopten dan met een klophamer of met de platte kant van een bijl net zo lang op de schors tot die los kwam.

Drogen

De losgekomen schors werd te drogen gelegd. Als de schors droog was werd dit aan bundeltjes gebonden. Deze bundels werden door de boer met wagens vol naar Hoogeveen gebracht om per spoor naar Brabant vervoerd te worden. Hier werd de schors in een eek- of runmolen fijngemalen tot een bruine stof: run. Deze run werd verkocht aan leerlooierijen die het gebruikten om het leer te looien.

Het hout van de dikke takken dat overbleef noemde men knuppels. Deze knuppels werden eveneens aan bossen gebonden om gebruikt te worden als brandhout.

De ‘Eekschelders’ verbleven hier meestal vier à vijf weken. Daarna gingen ze weer terug naar hun eigen woonplaats met een goed gevulde portemonnee, want ze verdienden met dit werk goed omdat lang niet iedereen dit werk kon doen.

Sommige van de ‘Eekschillers’zijn nooit weer teruggegaan naar Gelderland, zij bleven hier wonen, zoals Gelderse Durk (Dirk Westerik), die aan de Huttenweg in Ruinen ging wonen.