Het korte trieste leven van Femmegien Veenhof (1825-1846)

Het leven van de op 18 mei 1825 in Nijensleek geboren Femmegien Veenhof ging niet over rozen. Het was een jonge vrouw die nauwelijks een zonnige jeugd kende, die toen ze 14 jaar oud was haar moeder verloor en na haar schooltijd als hulp bij boeren in Vledder en omgeving in dienst was.

Op 18 mei 1825 wordt ten huize van Jan de Blaauw te Nijensleek geboren: Femmegien, dochter van de ongehuwde 32-jarige Trijntje Jacobs die na het overlijden van haar ouders toevertrouwd is aan de zorg van de diaconie van Vledder. Op school kon Femmegien weliswaar goed meekomen, maar ze droeg het beeld dat haar moeder in de gemeenschap had, ‘Malle Trijne’, met zich mee. Na het overlijden van haar moeder in 1839 staat Femmegien als 14-jarig meisje eigenlijk alleen op de wereld, hoewel ze nog een acht jaar oudere halfbroer in Wapserveen heeft, maar met wie ze waarschijnlijk geen contact heeft. Zij wordt voorlopig gehuisvest bij haar moei in Uffelte, terwijl de diaconie van Vledder uitziet naar een dienst voor haar. In 1840 is ze uitbesteed in Havelte en volgt daar de catechisatie bij dominee Zwiers. Deze dominee zal later tegenover de rechtbank verklaren dat haar verstandelijke vermogens goed zijn, ‘doch dat het ensemble niet goed op elkaar schijnt te werken, althans daar mankeert iets aan.’

Sinds mei 1845 is Femmegien in dienst van de landbouwer Christiaan Nieuwenhuis in Wapserveen. De diaconie van Vledder geeft 10 gulden per jaar toe. Ze heeft het redelijk naar de zin bij de familie Nieuwenhuis. Met de diakenen van Vledder ligt ze echter overhoop, want de nieuwe kleren die zij zo graag wil hebben, worden haar geweigerd vanwege de kleine diefstalletjes. Dan rijpt bij Femmegien een plan!

Brandstichting

Drie dagen loopt Femmegien rond met de gedachte de boerderij van Nieuwenhuis in brand te steken. Tegen de middag van 21 oktober 1845 is ze alleen in de keuken. De boer verzorgt de koeien in de schuur en de boerin haalt een paar emmers water. Zonder lang na te denken grijpt Femmegien een brandende turf van de haard en legt die in haar bedstee in de keuken. Ze doet de deur dicht en zet er een stoel voor. Daarna gaat ze met de boer naar het aardappelland. Een kwartier later worden ze geroepen omdat de brand na terugkomst van de boerin is ontdekt. De vlammen hebben het roggestro in het bed in brand gezet. Dankzij de twee emmers water die ze bij zich heeft kan de vrouw des huizes het vuur snel doven. Uiteraard werden de buren gealarmeerd en de verdenking viel meteen op Femmegien, die in alle toonaarden ontkende. Men jaagt haar weg, maar bij nader inzien wordt het beter geoordeeld er iemand achteraan te sturen en haar bij de diakenen van Vledder te brengen. Op last van de burgemeester wordt Femmegien in het Huis van Bewaring in Assen ingesloten.

Het proces

De akte van beschuldiging luidt dat Femmegien Veenhof op 21 oktober 1845 in de woning van Christiaan Nieuwenhuis opzettelijk een kool vuur in een bedstede in die woning heeft neergelegd ‘derwijze, dat het vuur zich in de daarin aanwezige ontvlambare stoffen en aan die woning moest mededelen en ook werkelijk medegedeeld heeft’. Veertien getuigen zijn opgeroepen en verschenen. Het getuigenverhoor neemt vele uren in beslag en duurt van ’s morgens 10 uur tot ’s avonds 9 uur. Daarna wordt Femmegien ondervraagd. Zij bekent het ten laste gelegde feit. En de volgende dag houdt de advocaat-generaal zijn requisitoir. Hij acht de verdachte schuldig aan het ten laste gelegde. De eis is dat Femmegien zal worden veroordeeld om te worden gebracht ‘ter plaatse waar men gewoon is binnen de stad Assen executie van criminele justitie te doen en aldaar op een schavot aan een paal te worden verworgd tot dat er de dood na volgt.’ De verdediger legt in zijn pleidooi de nadruk op verschonende omstandigheden uit hoofde van de jeugdige leeftijd van de verdachte en pleit voor een mildere straf.

Dood door verwurging

Op 17 januari verschijnt Femmegien weer voor haar rechters en zij wordt conform de eis veroordeeld tot de dood door verwurging. Bovendien moet zij de kosten van het geding betalen, zijnde f 119.10. De president deelt mee, dat een verzoek om gratie binnen drie dagen kan worden ingediend. Hij richt nog ‘een hartelijk woord’ tot de veroordeelde en spreekt de hoop uit dat een verzoek om lijfsbehoud bij de Koning ingang zal vinden. Bij Koninklijk Besluit van 25 april 1846 wordt op het gratieverzoek beschikt en wordt de doodstraf verwisseld in te pronkstelling op een schavot gedurende een half uur met een strop om de hals aan de galg vastgemaakt en een tuchthuisstraf van 20 jaar. Op 7 mei 1846 wordt in aanwezigheid van de griffier van het Hof en terwijl de klokken in Assen luiden de te pronkstelling uitgevoerd. Vervolgens wordt Femmegien op 12 mei 1846 overgebracht naar de centrale vrouwengevangenis in Gouda. Daar overlijdt zij op 21 augustus van hetzelfde jaar.

Verschenen in Kerspelstokkies 44, april 2018.

Henk Luning